vrijdag 16 januari 2026

Dwangarbeider van de poëzie

In memoriam André van der Veeke (1947-2025)


11 jan 2026

door
Rogier de Jong

Op 1 december 2025 bereikte mij en vele anderen het droeve bericht dat de Zeeuws-Vlaamse dichter André van der Veeke was overleden. Helemaal onverwacht kwam het nieuws niet: André tobde al jaren met zijn gezondheid en als je hem ernaar vroeg grapte hij dat hij negen levens verspeeld had.

* Deze column is met toestemming van de auteur  en de meander-
redactie overgenomen van het literaire e-zine meander *

André van der Veeke was een belangrijke stem in de Zeeuwse poëziecanon en daarbuiten. Hij schreef eigenzinnige, sterke gedichten. In Middelburg, Vlissingen en Terneuzen is muurpoëzie van hem te vinden. Ook was hij medeoprichter van het literair periodiek Ballustrada – waarover zo meteen meer – en een cultuurcriticus die er geen doekjes om wond.

Ik mag mij gelukkig prijzen dat ik André heb gekend. Hij leverde een bijdrage aan de presentatie van mijn debuutbundel Memento en we droegen ook samen voor bij andere gelegenheden, waar zijn plankenkoorts steevast uitmondde in een uitstekende voordracht waarin de kwaliteit van zijn poëzie optimaal doorklonk.

André was een gedreven dichter, maar hij zwom ook tegen de stroom van genre- en andere conventies in. Zo maakte hij geen geheim van zijn aversie tegen wokeheid – als vriend van Israël en het Oude Volk kon hij het niet laten om je bij de koffie grijnzend een jodenkoek aan te bieden – en voerde hij op Facebook een niet aflatende strijd tegen de verloedering van de Nederlandse taal.

In zijn poëzie is van sarcasme en cultuurkritiek weinig te merken. Zijn verzen ademen een open en ruimhartige, om niet te zeggen barmhartige blik uit op zijn omgeving. De Westerschelde spoelt daardoorheen als een steeds terugkerend motief:

Scheldesuite

Slaafse golven, windstilte
Alsof de rivier op weg is naar
een krabbel van de baardige schepenschilder
Het uitschot van de vogelstand
krijst boven het geplette grijs

Tot er licht lekt uit het wolkendek
en een hogere graad van onbereikbaarheid
zich afzet op de stugge schepen
Kokend zilver voor de speculant
die nu voor anker gaat.


De liefde van André van der Veeke voor de dichtkunst ontstond niet spontaan. Volgens de herdenkingskaart die tijdens zijn afscheid werd uitgereikt, had hij aanvankelijk een enorme hekel aan poëzie: ‘erger dan een kerkdienst’. Maar na een bloemlezing uit zeven dichtbundels onder de titel Dwangarbeider van de poëzie – zie de bespreking van Maurice Broere in dit magazine – waren zijn faam en roeping gevestigd.


André werd in 2002 voor het eerst door een hartstilstand getroffen. Dichter en kunstbroeder van het eerste uur Jan J.B. Kuipers herinnert zich: ‘Theo Raats en ik zaten op hem te wachten in De Drvkkery, waar we een redactievergadering hadden gepland. Maar hij kwam niet… niets voor hem’.

André bleef na zijn herstel stug doordichten en trok zich weinig aan van wat de kritiek over zijn werk had te zeggen, of dat nu lovend was of afkeurend. Die onverstoorbare eigenzinnigheid hoorde bij zijn trotse karakter, mogelijk gevormd in de Rotterdamse arbeiderswijk waar hij was geboren.

Misschien kwam uit dezelfde trotse eigenzinnigheid het idee voort om in 1987 met een aantal kunstbroeders het literaire periodiek Ballustrada op te richten. Officieel een Zeeuws tijdschrift, officieus een literair podium waarop dichters uit ‘heel’ Nederland en Vlaanderen publiceren, en niet te vergeten kunstenaars die elkaar via de post kunstwerken toestuurden omdat zij de vercommercialisering van musea en kunstinstellingen niet vertrouwden: de zogenaamde ‘mail artists’. 

Ballustrada was en is mede daarom nog steeds een dwars periodiek, eigenlijk meer een kunstwerk zélf dan een drager van kunst. Waarbij er overigens niet maar wat aan geklooid werd. ‘Al vroeg wist Van der Veeke’, schrijft dichter Job Degenaar in het vijfendertigjarige jubileumnummer, ‘zich omgeven door een vaste kern die voor stabiliteit en kwaliteit zorgde zoals Johan Everaers, Jan J.B. Kuipers, Theo Raats en vormgever Ko de Jonge’. In datzelfde jubileumnummer beschrijft André op zijn beurt hoe het in de beginjaren toch hilarisch kon misgaan. Onder het pseudoniem Minor had hij eens ‘flink willen uithalen’ naar die en gene. Helaas waren onder de column zijn initialen terechtgekomen. André: ‘Dat was lachen’.


Toen André nog enigszins vitaal was, ontmoetten we elkaar soms in dijkpaviljoen Westbeer in Terneuzen. Samen keken we dan naar de langsvarende bulkcarriers en het door hen veroorzaakte kielzog dat een schuimspoor veroorzaakte dat tegen het basalt klotste met een volgens André kenmerkend slurpend geluid:

Het beffen van basalt
(wat ze bij hoogwater horen)

Slurpen en slikken als in een bordeel voor reuzen
Of kalme holle slagen met boventonen

Het ruisen waar geen riet is, het afknijpen
Druppelen, dreinen, vloeibaar geroezemoes

Gorgelen, spuwen, klappen, sissen
Kotsen dat ze klotsen noemen

Spoelen, lekken, uitlopen, indalen:
het beffen van basalt

De Schelde als eeuwig ijkpunt voor zijn kunstenaarschap. Op één van die koffieochtenden nam André me mee naar de Terneuzense boulevard waar dichtregels van hem op een tegelplateau zijn vereeuwigd:

Waar het licht bijna
te zout is voor het oog


Die regels zijn inmiddels zo bekend dat je bijna zou vergeten dat ze uit een gedicht komen, ‘De oogst van de kust’:

Het verre geronk van de branding
in de Tienhonderd Polder

Boven graanoogsten
op kruispunten van land en lucht

Waar het licht bijna
te zout is voor het oog

De onzichtbare dorser
torent boven alles uit

Een spookrijder die zich
afkeert van de kust

Met vaste hand stuurt hij
zijn uren, zijn zomer brandt

Stof van augustus
moet brood worden


Spookrijden – André kon er zelf ook wat van met zijn antiwokeheid en cultuurkritiek. Onder die Rotterdamse branie school echter een opmerkzame dichter met een warm hart en een liefdevol oog voor zijn omgeving. Een omgeving die niet alleen maritiem en nautisch was, maar ook zijn kunstenaarsvrienden betrof en de mensen in zijn naaste, intieme kring, zo bleek bij zijn afscheid op 9 december.

Nu komt er nieuw jubileumnummer ‘Veertig jaar Ballustrada’ aan, waarvan een deel is toebedacht aan de nagedachtenis van André en een deel aan een nog door hem bedacht thema: ‘Wat ik nog wilde zeggen’. Vele nieuw- en oudgedienden onder wie schrijver dezes zullen hun goedbedoelde licht over dat thema laten schijnen. Of dat net zo raak en ontroerend zal zijn als de proloog van zijn laatste bundel, is natuurlijk de vraag, maar het is de inzet die telt en daaraan zal het vast niet ontbreken.

Wacht – wacht op me tot ik voorbij vaar
Je zal me niet zien, ik heb geen gezicht
geen gestalte van betekenis, ik ben een van
die internationale schimmen varend onder
willekeurige vlaggen en logo’s, fotografeer
mijn schip maar alsof het mijn lichaam is
en verspil daarna geen gedachte aan mij,
aan ons: The Flying Sailors of all rivers and seas.


Credits:

Reizigers voor alle richtingen (Uitgeverij ADZ, 2004)
Poldergeest (Uitgeverij Liverse, 2014)
Het schuimspoor van het onbereikbare (Uitgeverij Liverse, 2021)
Ballustrada jaargang 35, nummer 3-4 (Stichting Zeeuws Licht, 2021)

Neem nu een abonnement of bestel het laatste nummer!




Los dubbelnummer € 12,50 | Abonnement € 20,00, 4 nummers inclusief porto
Bankrekening NL35 ABNA 049 92 02 864 t.n.v. Stichting Zeeuws Licht


Redactie: Jan J.B. Kuipers, Johan Everaers, Ko de Jonge.
Vaste medewerkers: Kees Klok, Paul van Leeuwenkamp, Thom Schrijer, Jos Rouw (webzaken)


Contact: jjbkuipers[at]hotmail.nl

Geen opmerkingen:

Een reactie posten